| “Savez vous quelle est votre maladie, c’est la nostalgie. Savez vous quelle est la nôtre, c’est l’utopie. La nostalgie c’est le passé qui s’obstine de vivre. L’utopie c’est le future qui s’efforce de naitre. J’aime mieux le mal d’enfant que le mal de mort”. Toen Victor Hugo deze woorden schreef golden uiteraard andere tijden en andere uitdagingen. Maar de kern van zijn stelling blijft overeind: angst is een slechte raadgever. En al is het ‘des mensen’ om in onzekere tijden algauw over een crisis te spreken, toch lijkt de positieve aanpak van Obama’s, ‘Yes,we can’ sterker tot de verbeelding en dus tot actie en resultaten aan te zetten. Dit geldt ook voor de uitdagingen waar de mediasector voorstaat. Een staten-generaal rond dit thema wordt dus best niet gestuurd door de schrik voor een “crisis”, de huidige ”crisis in de pers”. Beter zou het zijn om bij dit momentum de opportuniteiten te grijpen die zich in een ICT-gestuurde, globale kennissamenleving aandienen, m.a.w. voluit gebruik te maken van de omwentelingen binnen de mediasector in zijn brede betekenis. In de jaren 70 kondigde de futuroloog A. Toffler al een “third wave” aan. Hij stelde dat de overgang van een industriële naar een kennissamenleving de traditionele instellingen, beleidsinstrumenten, ja, zelfs mentaliteiten op de helling zou zetten. Wat we vandaag in de mediasector vaststellen is een concretisering van wat deze futuroloog voorspelde. Een eerste omwenteling tekent zich af binnen de gevestigde media-instellingen en –bedrijven. Hun traditioneel sectorgebonden leiderschap wordt uitgedaagd door bestaande en nieuwe actoren. Dit geldt trouwens zowel voor de geschreven als voor de audiovisuele actoren. Zelfs de publieke omroep ontsnapt er niet aan. Alle media-actoren worden op elkaars terrrein actief en beschuldigen elkaar bijgevolg van concurrentievervalsing. De geschreven pers verwijt de publieke omroep dat deze met zijn websites in zijn vaarwater komt. Omgekeerd verwijt diezelfde publieke omroep dat de geschreven pers op hun sites in stijgende mate ook beeld aan bieden, wat de publieke omroep dan weer als zijn corebusiness beschouwt. Beide partijen hebben bovendien af te rekenen met de krachtig opzettende concurrentie van telecommunicatie-actoren, zoals Belgacom en Telenet. Op hun beurt vrezen deze telecommunicatoren dan weer dat ze het zullen moeten afleggen tegen de typische internetactoren, de YouTubes en de Googles van deze wereld, die de logica van het world wide web in hun genen hebben en bovendien globaal opereren. Deze internetactoren waren tot pakweg vijf jaar geleden nog onbekend, maar zijn intussen wereldleiders als het op het invullen van onze steeds meer gefragmenteerde aandacht en schaarse vrije tijd aankomt. Al deze bewegingen zijn te vatten onder de globale noemer convergentie. Deze beweging werd in de jaren 80 al aangekondigd, maar wordt door sommigen vandaag nog altijd betwist. Anderen voelen deze convergentie, onherroepelijk aanwezig en schrijven er verstrekkende gevolgen voor de hele media-ecologie en media-economie aan toe. Het leiderschap van de traditionele partijen kwam ook nog door een andere grensvervaging onder druk te staan. Neem nu de grenzen tussen publieke en private dienstverlening op mediagebied. Doorheen de jaren geraakte die uitgevlakt. De publieke omroep ging gaandeweg de populaire toer op ten gevolge van enerzijds een doorgedreven en bij tijden bijzonder opportune marketingredeneren en anderzijds het postmoderne opheffen van de hierarchie tussen hoge en lage cultuur. Voor de kijker of luisteraar, die weliswaar volgens de enquêtes, kijk- en luisteronderzoeken zeer trouw blijft aan zijn publieke omroep, is het onderscheid tussen privé en publiek niet altijd duidelijk. De publieke omroep maakt wel eens programma’s die niet zouden misstaan op commerciële zenders. Vice versa is een deel van wat van oudsher tot de publieke dienstverlening behoort zelf het strijdtoneel geworden voor bestaande én nieuwe actoren. Een zender als Exqi bijvoorbeeld wil de publieke omroep op zijn corebusiness van cultuurverstrekking beconcurreren. En beide spelers krijgen door ICT ontwikkelingen precies op het domein van de cultuur ook te kampen met culturele instellingen zelf. Musea, cultuurcentra en dergelijke bieden steeds meer en beter hun eigen content aan op eigen platformen. En bovendien, neem maar eens de proef op de som: op YouTube vind je heus veel meer cultuur dan je op het eerste zicht zou denken, zelfs onder de vorm van long content en dus niet in het traditioneel YouTube formaat van enkele minuten. YouTube biedt zelfs heel hoge en , o tempora o mores, elitaire cultuurvormen aan die op de publieke omroep al lang schaars geworden zijn, of naar late uren of achter rode knoppen verbannen zijn. Het postmodernisme en marketingdenken dat de publieke omroep stuurt, manifesteert zich trouwens ook in de geschreven pers, waar lichte en zware kost zich in de ideale marketing mix even goed (on)evenwichtig moeten verhouden. De geschreven pers beweert zich vast te klampen aan kwaliteit en een gids te zijn in een overaanbod van nieuws. Maar dat is theorie. De meerwaardezoeker heeft zijn gading al lang elders gevonden, met name op andere, internationale nieuwssites of -aggregatoren. Deze gang van zaken houdt een gevaar in. Het gevaar dat sociale, culturele, politieke en economische kloven bestendigd en zelfs verstrekt dreigen te worden.
| | Het leiderschap van de traditionele media-actoren wordt ten derde van onderuit belaagd. User Generated Content is in de mediasector een concretisering van Tofflers prosumer. UGC daagt het métier van mediamakers uit, maar tevens ook de sérieux van de traditionele actoren. Het roept vragen op rond de traditionele hiërarchie tussen de journalist als professioneel of expert en het brede, ontvangende publiek dat snakt om ter dege geïnformeerd te worden. Uiteraard bevat deze UGC bijzonder veel waardeloos gezwets, maar een blogger kan best ook een specialist ter zake zijn, die zijn persoonlijke medium verkiest boven de traditionele media, omdat hij het gevoel heeft dat hij daar zijn gefundeerde mening al lang niet meer kwijt kan. De audiovisuele pers zoekt vooral pittige oneliners voor zijn camera en in de geschreven pers doet de onzichtbare maar ijzeren hand van de marketeer feilloos zijn werk. De traditionele mediaspelers houden dus halsstarrig vast aan oude en beproefde recepten en wagen zich met mondjesmaat aan eerste stapjes in een ICT avontuur. Risico’s durven ze nauwelijks nemen, laat staan utopisch denken. Zichzelf herhalen eerer dan kritisch heruitvinden. Ondertusen woedt buiten volop een ware mediarevolutie. Zonder durf en visie op langere termijn zullen ze de trein missen. En het beleid? Het stond erbij en het keek er naar, daar lijkt het fel op. Er is werk, veel werk aan de winkel. Betere opleidingen waarbij ICT onderricht prioriteit krijgt, burgers een kritische mediageletterheid bijbrengen, juridische kaders scheppen die snelle nieuwe mediaontwikkelingen kunnen volgen en het marketingdenken dat de traditionele media in zijn greep heeft mee helpen doorprikken. Daarom moet een staten generaal vooral de discussie en de reflexie breed stimuleren. Ze moet een visie brengen op langere termijn en niet alleen maar tijdelijke oplossingen voor de huidige crisis, die helaas niet tijdelijk, maar fundamenteel is. Ze moet de missie bevatten waarrond het Vlaams parlement het nieuwe mediadecreet bediscussieert, met durf en kennis van het volledige veld, dat veel groter en globaler is dan kranten, weekbladen en publieke omroep. En dan vanuit deze visie plannen en initiatieven uittekenen en initiëren die alle spelers in kaart zet. Samenwerkingsverbanden en complementariteit bespreekbaar maken. Het aanbod hiermee zo breed mogelijk maken. Kwaliteit in de breedte en de diepte verzekeren. Creatie ondersteunen, distributieplatformen zullen er te over zijn. Dit discours is al jaren niet louter een technologisch deterministisch discours meer. De ontwikkelingen van vandaag worden misschien wel gestuurd door technologische vernieuwingen, maar de tijd is rijp om ze in te bedden in sociale en breed maatschappelijke doelstellingen over de maatschappij en de media die men in de 21ste eeuw wil. Alleen met deze scope voor ogen kan de staten generaal een blijvende bijdrage bieden tot ons mediabeleid van de toekomst. Prof. Dr. C. Pauwels is verbonden aan de Vrije Universiteit Brussel en betrokken bij het IWT FLEET project (Flemish epublishing trends) Dit artikel is onderdeel van een serie die verschillende FLEET-onderzoekers schreven naar aanleiding van de Vlaamse Staten-Generaal. Alle delen van de serie:
|