Zoek:

Inhoudstafel website:

Nieuwe journalisten gezocht (m/v): crossmediaal, supersociaal en hyperflexibel

  • Karin Raeymaeckers
  • Steve Paulussen
Publicatiedatum: 18/03/2009

Als de Vlaamse mediabedrijven dan toch geen vragende partij zijn voor extra overheidssteun, zoals ze volgens minister-president Kris Peeters beweren, kan de overheid haar aandacht misschien beter richten op de journalisten zelf, het publiek en de opleidingen.
 
Nogal wat voorspellingen luiden de doodsklok over papieren media, andere voorspellingen verwachten alle heil van multimedia-distributieplatformen, nog andere voorspellingen gaan uit van nieuwe geaggregeerde nieuwssites die content verzamelen en herverpakken. Of de voorspelling dat user generated content het toverwoord wordt, zeker voor het hyperlokale nieuws. Of de voorspelling dat de jobinvulling van journalisten verder zal verbreden met input uit sociale en professionele netwerksites. Zo kunnen we nog wel even doorgaan.

Wie de voorbije jaren mediaontwikkelingen volgde en voldoende afstand kan nemen van de nieuwe voorspellingshypes die elkaar altijd sneller opvolgen, gelooft niet in een eenduidig antwoord op de uitdagingen waarmee de media vandaag geconfronteerd worden. De vraag is niet of we al deze voorspellingen klakkeloos moeten aannemen – de geschiedenis leert ons dat sommige van dit soort voorspellingen uitkomen, andere helemaal niet en nog andere veel later dan verwacht. Relevanter is de vraag wat het allemaal precies betekent. Wat zijn, los van de hypes rond een of andere technologie waarvan er elk jaar wel eentje bij komt, de fundamentele veranderingen die de mediasector onder invloed van de digitalisering ondergaat? En nog belangrijker: welke uitdagingen brengen deze veranderingen met zich mee voor pers en publiek? Want dat er iets aan het veranderen is, is zeker.

Een eerste duidelijke verandering is dat de journalistiek crossmediaal is geworden. Al te snel duikt dan de karikatuur op van de multimediajournalist als een octopus die tegelijk zijn laptop, gsm, foto- en videocamera, audiorecorder, pen en papier hanteert, maar feit is dat journalisten zullen moeten leren werken in een crossmediale omgeving. Journalisten, die vroeger enkel voor krant of televisie werkten, beginnen nu ook te bloggen, nieuwsberichten voor het web te schrijven, podcasts te creëren, videofilmpjes te maken, enzovoort. Dit vergt uiteraard nieuwe vaardigheden en competenties. De Vlaamse Regering geeft jaarlijks financiële steun aan de perssector voor trainingen op het werk; in hoeverre deze steun adequaat wordt aangewend in de redacties om journalisten crossmediale vaardigheden bij te brengen, is echter onduidelijk. Ook toekomstige journalisten moeten goed voorbereid worden op het werk in een crossmediale redactie. Alle journalistieke opleidingen staan voor de uitdaging om hun curricula zo te (her)organiseren dat alle studenten journalistiek vertrouwd worden gemaakt met printmedia, radio, televisie en internet. Binnen de grenzen van de beschikbare middelen is deze oefening geenszins evident.         

Niet alleen journalisten, maar ook de mediagebruikers zijn nog lang niet allemaal vertrouwd met de participatieve en convergerende internetcultuur waarin we leven. Mensen kritisch leren omgaan met de digitale media en alle onzekerheden die  gepaard gaan met een steeds verder uitdijende overvloed aan nieuws, wordt almaar belangrijker. Ook de media kunnen hierbij een verantwoordelijke rol opnemen. In Groot-Brittannië spoort de onafhankelijke regulerende instantie Ofcom de mediaorganisaties aan om een actieve rol te spelen in de promotie van mediawijsheid en participatie. Met de Staten-Generaal voor de Media dient zich een goede gelegenheid aan om na te denken over hoe ook in Vlaanderen de media gestimuleerd kunnen worden hun publieke verantwoordelijkheid nog meer ter harte te nemen. We denken aan een actieve ondersteuning van initiatieven die de participatie van burgers in de media bevorderen, bijvoorbeeld als verlengstuk van het Kranten in de Klas-project of door specifieke beurzen toe te kennen aan participatieve mediaprojecten. Dit laatste kan georganiseerd worden buiten de traditionele mediabedrijven, waarbij vooral een instantie als het Fonds Pascal Decroos voor Bijzondere Journalistiek een belangrijke taak op zich kan nemen.

 


Vooral in de Verenigde Staten vinden we al verschillende voorbeelden van zo’n participatieve mediaprojecten. In Vlaanderen is het Fietspadenrapport, dat vorig jaar door Het Nieuwsblad werd opgezet, een zeldzaam voorbeeld. Lezers worden in dit soort projecten door de redactie aangemoedigd om zelf actief bij te dragen tot de totstandkoming van een dossier rond een specifiek thema. Ze kunnen berichten, foto’s en videofilmpjes inzenden over het onderwerp, ze kunnen participeren in discussies, ze kunnen vragen formuleren die vervolgens aan de beleidsmakers worden voorgelegd, enzovoort. Dankzij de respons van de lezers zelf slagen de kranten erin om bepaalde topics vanuit de gemeenschap op de politieke agenda te zetten. Minstens even belangrijk is dat deze participatieve mediaprojecten het werkelijke potentieel van user generated content en crowdsourcing illustreren. Het maakt de betrokken journalisten erop attent hoe ze via teamwerk en een nauwere samenwerking met het publiek (of de community, om bij het jargon te blijven) hun rol als journalist op een nieuwe en meer publieksgerichte manier kunnen invullen. Laat nu net ‘publieksgerichtheid’ en ‘samenwerking’ twee trefwoorden zijn die mediamanagers graag gebruiken om de nieuwe jobprofielen in redacties te omschrijven.
           
De journalist van morgen moet niet alleen crossmedialer en socialer zijn dan die van gisteren, maar ook veel flexibeler. Hyperflexibel. Want paradoxaal genoeg staat tegenover de vraag aan journalisten om meer crossmediaal te werken, meer samen te werken en meer in interactie te treden met het publiek geen uitbreiding maar een inkrimping van de beschikbare middelen. Meer doen met minder middelen, is het credo. Een beetje cynisch ook dat er soms bij wordt verteld dat dit de kwaliteit ten goede zal komen. Begrijpe wie kan… In 2006 wees de International Labour Organization op een toename van ‘atypische’ werkvoorwaarden in de mediasector. Met ‘atypisch’ bedoelt de ILO dat journalisten steeds meer te maken krijgen met freelance werk, kortere contracten, lagere verloning, oncomfortabele werkuren en weinig kansen voor bijscholing. Een recente studie van de Arteveldehogeschool wijst erop dat het risico op burnout bij journalisten hoger ligt dan in andere beroepen. Vooral freelancers staat het water aan de lippen. De beroepsgroep maakt zich al lange tijd zorgen over de onzekere werkvoorwaarden en de mate waarin het takenpakket, de werklast en de tijdsdruk in de redactie de voorbije jaren is toegenomen. De journalistenenquête van 2008, uitgevoerd door de Universiteit Gent, bevestigt dit eens te meer. Steeds meer werk gebeurt van op het bureau onder een constante deadline, die nog weinig tijd laat voor het checken van informatie. Voor wie zich bekommert om de positie van de beroepsjournalist en de kwaliteit van het werk dat door hem wordt geleverd, zijn deze ontwikkelingen zorgwekkend.

Crossmedialiteit, participatie en flexibiliteit zijn de kernwoorden waarmee we de veranderingen in de journalistiek kunnen kenmerken. Het heeft weinig zin om deze trends te ontkennen of proberen af te remmen, laat staan om te keren. De overheid kan wel maatregelen treffen om te vermijden dat deze ontwikkelingen ten koste gaan van de professionaliteit en kwaliteit van de journalistiek. Aangezien de uitgevers toch geen vragende partij blijken te zijn voor overheidssteun waarvan ze vrezen dat daar kwaliteitseisen of andere voorwaarden aan gekoppeld zouden kunnen worden, concentreert het beleid zich maar beter op de andere belanghebbenden in de digitale mediaomgeving: de journalisten zelf, de journalistenopleidingen en het publiek.      

Steve Paulussen is communicatiewetenschapper aan de Universiteit Gent en deeltijds docent aan de Vrije Universiteit Brussel. Karin Raeymaeckers is professor communicatiewetenschappen en directeur van het Center for Journalism Studies, Universiteit Gent. Beiden werken mee aan het IWT project FLEET (Flemish ePublishing Trends).

Dit artikel is onderdeel van een serie die verschillende FLEET-onderzoekers schreven naar aanleiding van de Vlaamse Staten-Generaal. Alle delen van de serie:


Uw reactie achterlaten:






(*) Verplichte velden

Uw e-mail adres zal nooit publiek vertoond worden op de site.

Enkel volgende elementen worden aanvaard bij het versturen van uw reactie:

  • * em
  • * strong
  • * blockquote
  • * code