Lange tijd werd de inmenging door de overheid in de activiteiten van de pers of media als een beknotting van de persvrijheid beschouwd. De komst van massamedia, in de eerste plaats in de vorm van audiovisuele media en later de explosie van digitale media bracht daarin verandering. Dit bracht een mediabeleid tot stand dat uiteen valt in diverse aspecten: mediaorganisatie, beperkte wetgeving inzake geschreven pers, uitgebreidere wetgeving inzake audiovisuele pers en tot slot informatie- en communicatievrijheid. Uiteraard werd deze wetgeving ook in het leven geroepen met het oog op de bescherming van de rechten van consumenten. De impact van de media op onze beeld- en opinievorming is immers niet gering.
Door de snelle technologische evolutie waar ook de media sinds de twintigste eeuw mee werden geconfronteerd rijst echter meer en meer de vraag in welke mate de traditionele (veelal nationale) mediawetgeving – eertijds geënt op de klassieke geschreven en audiovisuele pers – ook kan of moet worden toegepast op de digitale variant ervan en op nieuwe informatiediensten die sinds kort op de voorgrond traden. Daardoor wint de internationale en vooral dan Europese regelgeving elke dag ook meer en meer aan belang.
Wat de situatie juridisch gezien misschien nog net iets complexer maakt is het feit dat de Vlaamse overheid wel bevoegd is inzake media, maar bijvoorbeeld niet inzake de aansprakelijkheidsregels die van toepassing zijn op de pers, een toch niet onbelangrijk aspect. Bovendien is het internet grensoverschrijdend en is het vaak niet erg duidelijk welk recht van toepassing is, of welke rechter bevoegd is om uitspraak te doen in een geschil.