Zoek:

Inhoudstafel website:

Zoek de uitgever

Traditioneel kunnen we ons wel iets voorstellen bij het begrip “uitgever”:  de uitgever zorgt er voor dat kranten en boeken, tijdschriften en toneelstukken verschijnen en verdeeld worden.  Wie de uitgever is, was tot voor kort innig verweven met de manier waarop informatie geproduceerd en verspreid werd:  op papier.  Aan deze “uitgever” werden rechten en plichten toegeschreven, zonder dat een wettelijke definitie precies omlijnde wie bedoeld werd. 


Maar wat gebeurt met deze rechten en plichten wanneer informatie niet meer tastbaar is en elektronisch via allerlei netwerken verspreid wordt, zonder dat het ooit op een drager wordt vastgelegd?  Veel duidelijke antwoorden kunnen voorlopig nog niet gegeven worden...

In het auteursrecht

Aan de “uitgever” – bijvoorbeeld van kranten, tijdschriften – geeft de Auteurswet geen eigen exclusief recht (zoals producenten van fonogrammen of films dat wel krijgen).  Een uitgever heeft pas auteursrechten als hij die van de auteur verkrijgt – via contractuele overdachten dus.  Kenmerkend is dat een krant bestaat uit bijdragen van verschillende auteurs, zoals artikels, foto’s, illustraties, de grafische vormgeving,..  In een multimediale omgeving komen daar nog filmpjes en audio-fragmenten bij.   Met al deze auteurs moet de uitgever dus overeenkomen op welke manier hun bijdrage geëxploiteerd mag worden en tegen welke voorwaarden. Pas wanneer een auteurscontract afgesloten wordt kan de uitgever de titularis van een aantal auteursrechten worden.  Naast het auteursrecht op de individuele bijdragen, kan ook de krant (al dan niet in elektronische vorm) als compilatie beschermd worden.  Als de krant een “databank” is volgens de wettelijke definitie, dan kan dit geheel bovendien beschermd worden door het auteursrecht enerzijds en het sui generis databankenrecht anderzijds.  Dit laatste beschermingsregime zorgt er voor dat de “producent” rechten kan doen gelden op de inhoud van een databank die het resultaat is van een substantiële investering in de verkrijging, controle of presentatie van de inhoud. In sommige gevallen zal een uitgever dus de titularis van dit bijzondere databankenrecht zijn en zal hij de opvraging en/of het hergebruik van de hele of van een substantieel deel van de inhoud van zijn databank kunnen verbieden.

Een “uitgever” kan als exploitant van beschermd materiaal dus verschillende rechten doen gelden, tenminste als hij de exploitatierechten contractueel verkregen heeft of aan de voorwaarden voor naburige bescherming beantwoordt.

Alhoewel de “uitgever” geen eigen “auteursrechten” heeft en geen eigen naburige rechten kan doen gelden, heeft de “uitgever” wel een plaats in Auteurswet.  Zo kan de “uitgever” bepaalde auteursrechten uit oefenen voor de voor het publiek onbekende auteur, brengt het afsluiten van een “uitgavecontract” zekere verplichtingen mee in hoofde van de “uitgever” en kan de “uitgever” een aantal vergoedingsrechten doen gelden.  De Auteurswet definieert niet wie deze “uitgever” is, maar gaandeweg werd hieraan in de praktijk en in de rechtspraak een invulling gegeven (afhankelijk van de toegepaste bepaling) die sterk verbonden was met de “reproductie” van werken.  In de analoge wereld heeft de uitgever een duidelijke plaats:  zodra een werk op een materiele drager geëxploiteerd wordt, zoals in vorm van boeken of kranten (maar ook CDs of DVDs), kan er een “uitgever” aan te pas komen die (een deel van) de wettelijke prerogatieven kan uitoefenen.  In een digitale netwerkwereld kunnen werken gepubliceerd worden zonder dat ze op één materiële drager gedrukt, geperst of geprint worden. Van elektronisch nieuws worden geen exemplaren gedrukt die op hun beurt verspreid worden.  Er zijn nog wel reproducties (op de server waar het nieuws geconsulteerd wordt en op de toestellen die gebruikt worden om het nieuws op af te lezen, te zien of te horen), maar deze belichamen de taak van de uitgever misschien niet meer zo accuraat.  Zolang de traditionele uitgevers zowel een papieren als een online versie van de krant brengen, kan de in de praktijk gegroeide (niet wettelijk ingevulde) definitie van “uitgever” gehanteerd worden. Maar wat met de publicaties die enkel online verschijnen? Of de websites van de omroepen, die dus geen papieren publicatie op de markt brengen, maar wel tekst en beelden online zetten?

Betekent dit dat er voor dit soort elektronische publicaties geen “uitgever” is?  Er is misschien geen nood meer om materiële exemplaren van het werk te maken, maar andere taken die de uitgever traditioneel vervult worden voor sommige publicaties wel nog uitgevoerd.  Zo kost het brengen van nieuws nog steeds een (inhoudelijke en financiële) investering, bijvoorbeeld in het zoeken en coördineren van journalisten, het selecteren en plaatsen van artikels, de bepaling van de inhoudelijke lijn,... maar ook het aantrekken van adverteerders of de technische voorziening van het online platform – ook al zijn vele nieuwsinitiatieven zijn geen commerciële ondernemingen en is het maken van winst niet de eerste bekommernis. In andere gevallen zorgt de auteur er zelf voor dat zijn werk kan verschijnen zonder dat hij beroep moet doen op een uitgever, bij voorbeeld een blogger (al kan die zelf ook weer uitgeverstaken op zich gaan nemen als hij gastbloggers uitnodigt).

Als er geen materiële exemplaren meer gemaakt worden, wie kan dan de rechten van de ongekende auteur uitoefenen? En kan zo’n “elektronische uitgever” ook aanspraak maken op de reprografievergoedingen? Wat was de ratio van elk van deze rechten en plichten die de “uitgever” (in al zijn verschillende auteursrechtelijke hoedanigheden) en hoe kunnen deze per analogie toegepast worden op de elektronische uitgever?

Zoals voorheen verzamelt de “uitgever” – ook de elektronische uitgever – een breed scala aan beschermingsrechten, uit verschillende bronnen, die aan verschillende regimes onderworpen zijn.  Voor de wettelijke prerogatieven van de “uitgever”, blijft het voorlopig nog koffiedik kijken of iemand als “uitgever” van een elektronische publicatie aangewezen kan worden, wie dit dan mag zijn en aan welke voorwaarden deze uitgeoefend kunnen worden....


In het mediarecht

Het aantal aanknopingspunten in het Belgische recht is beperkt. De Wet van 8 april 1965 met betrekking tot het wettelijk depot definieert een uitgever als volgt: “iedere natuurlijke of rechtspersoon die op zijn kosten een der bij artikel 1 van deze wet bedoelde werken […de publicaties van alle aard, die vermenigvuldigd worden door middel van de drukkunst of van enige andere werkwijze, met inbegrip van de microfilms en documenten die verschijnen op numerieke of soortgelijke dragers en met uitzondering van de cinematografische procédés … Onder numerieke drager wordt verstaan alle publicaties die worden gepubliceerd op materiële dragers zoals een diskette, een CDw, een CD-rom of een DVD, met uitzondering van de online publicaties.” ] uitgeeft of doet uitgeven”. Ook in Belgische rechtspraak wordt niet echt stil gestaan bij de invulling van de notie “uitgever”. In aansprakelijkheidskwesties komt de nadruk vooral te liggen op de gebruikte techniek die de uitgever aanwendt voor de publicatie, niet zozeer op de functie die de persoon vervult. In vele gevallen kan dit worden verklaard door het feit dat er toch een vorm van samenhang kan gedetecteerd worden met de bestaande print media. Een fax of “e-post” krant of de publicatie van reportages en artikels op een website vertoont immers kenmerken die gelijkaardig zijn aan de bestaande publicaties van uitgevers (kranten, magazines). Ook fora werden reeds uitdrukkelijk erkend als de nieuwe “gebruikelijke transmissiekanalen” voor informatie en opinies. Door de technologische ontwikkelingen werd de vraag naar een invulling van het uitgeversbegrip zo mogelijk nog prangender. Het kenmerkende aan een web 2.0. omgeving is dat het de toegang / mogelijkheid tot publiceren open stelt voor derden. Kunnen deze uitbaters van gebruikersplatformen zoals Myspace, GoogleVideo, RSS Sharing websites of een internetencyclopedie zoals Wikipedia op gelijke voet met multimediale uitgevers worden gesteld of dienen ze eerder beschouwd te worden als een neutrale technische tussenpersoon (ISP)? De feiten zullen steeds een cruciale rol spelen in de beoordeling van een rechter of de leverancier een “hosting” functie vervult dan wel door bepaalde ingrepen als uitgever dient te worden gekwalificeerd. Het zal cruciaal zijn te weten te komen wie aan de oorsprong ligt van de aangevoerde inhouden (tekst, video, RSS feed, enz.), of auteurs werden geselecteerd en of er redactioneel wordt toegezien op de inhouden. Het aanleveren van een kaderstructuur (eventueel met advertentieruimte en dus bepaalde inkomsten genererend), de invoering van systeem van moderatie a posteriori of het plaatsen van gebruikersinhouden in rubrieken of per thema blijken niet voldoende om een leverancier van web 2.0. diensten te kwalificeren als uitgever en staan een “hosting” vrijstelling niet in de weg. Het aanzetten tot inbreuken of ingrepen die de rol van moderator overstijgen, kunnen er dan weer aanleiding toe geven dat deze vrijstelling vervalt en dat de uitbater vooralsnog als uitgever wordt gekwalificeerd en dat zijn aansprakelijkheid als dusdanig ook zal worden beoordeeld.

Aanverwante artikelen:


Uw reactie achterlaten:






(*) Verplichte velden

Uw e-mail adres zal nooit publiek vertoond worden op de site.

Enkel volgende elementen worden aanvaard bij het versturen van uw reactie:

  • * em
  • * strong
  • * blockquote
  • * code