| Lange tijd werd de inmenging door de overheid in de activiteiten van de pers of media als een beknotting van de persvrijheid beschouwd. De komst van massamedia, in de eerste plaats in de vorm van audiovisuele media en later de explosie van digitale media bracht daarin verandering. Dit bracht een mediabeleid tot stand dat uiteen valt in diverse aspecten: mediaorganisatie, beperkte wetgeving inzake geschreven pers, uitgebreidere wetgeving inzake audiovisuele pers en tot slot informatie- en communicatievrijheid. Door de snelle technologische evolutie rijst wel meer en meer de vraag in welke mate de traditionele mediawetgeving – ooit geënt op de klassieke geschreven en audiovisuele pers – ook kan of moet worden toegepast op de digitale variant ervan en op nieuwe informatiediensten die sinds kort op de voorgrond traden. Wat het er voor de verscheidene mediaspelers niet makkelijker op maakt is het feit dat ze onderworpen zijn aan regelgeving van verschillende niveaus. Door het grensoverschrijdende karakter van de nieuwe mediadiensten wint de internationale en Europese regelgeving bovendien elke dag aan belang. Naast de Internationale Verdragen (bijvoorbeeld het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens) ), vormen ook de Aanbevelingen van de Raad van Europa (met betrekking tot recht op bronnengeheim, recht van antwoord, bescherming minderjarigen, enzovoort) en andere initiatieven van internationale organisaties zoals de WHO en UNESCO vaak een vertrekpunt voor verdere initiatieven op Europees en nationaal gebied. Op Europees niveau moet dan weer worden rekening gehouden met de Aanbevelingen, Richtlijnen en Verordeningen die worden uitgewerkt. Voor audiovisuele mediadiensten riep de Europese wetgever in 2007 een Richtlijn in het leven die het hoofd moeten bieden aan lineaire (traditionele televisiediensten) en niet-lineaire (op aanvraag) diensten. | Voor de geschreven pers riep dezelfde wetgever bewust geen specifieke mediaregels in het leven en wordt alles tot op heden aan de lidstaten over gelaten. Ook op Belgisch niveau is de regelgeving inzake mediabeleid verspreid terug te vinden op verscheidene niveaus. Op het niveau van de Grondwet worden onder andere de vrijheid van meningsuiting, de drukpersvrijheid en het verbod van preventieve (censuur)maatregelen gewaarborgd (artt. 19, 25, 150 G.W.). Op federaal niveau zijn onder andere het recht op antwoord inzake geschreven media, het recht op bronnengeheim en de aansprakelijkheidsregeling inzake technische tussenpersonen geregeld naar nationaal Belgisch recht: Na verscheidene staatshervormingen werden meer en meer bevoegdheden overgeheveld naar de gemeenschappen (en gewesten), waaronder het mediabeleid (met uitzondering van bovenvermelde onderwerpen). Er werden ook verscheidene instanties op Vlaams niveau ingericht zoals de Vlaamse Sectorraad Media, de Vlaamse regulator voor de Media, de Raad voor de Journalistiek en Medianet Vlaanderen. Reference: Evi Werkers, "The Legal Implications of Electronic Publishing in the 21st Century" in Y. Pasadeos (ed.), Variety in Mass Communication Research, 2009, ATINER (ISBN: 978-960-6672-46-0), 161-178. Peggy Valcke, David Stevens, Eva Lievens en Evi Werkers, "Audiovisual Media Services in the EU: Next Generation Approach or Old Wine in New Barrels", Communications & Strategies 2008, no. 71, 3rd quarter, 103-118. |